_____________________________________________________________________________

14 juni 2009

 

 

Met de rapier aan de rivier

 

Het moet een een gek gezicht zijn om me te zien vissen met het fragiele rapiertje met twaalf honderdste nylon in die enorme plas water die "Lek" heet. Een brood pluimpje moet gevonden worden door een winde, het lijkt een onmogelijke zaak. Het regent nog een beetje maar het zal later op de dag opklaren. Hopelijk gaat de wind dan ook liggen want ik krijg maar moeilijk de broodkorsten op de juiste plaats. Op verschillende plaatsen dobberen de korsten op het water, ze blijven onberoerd. Soms worden ze tegen de rotsen geduwd of er van af, door de kolossale boten die af en toe voorbij varen. Met de verrekijker houd ik de korsten die het verst van mij afdrijven in de gaten. Afgeleid door een fuut die plots voor de lenzen komt, vergeet ik alles om me heen.


 
De rapier met de nieuwe Mitchell 310, een fantastische ultralichte combinatie voor het spinnen maar ook voor een broodpluim een goed stuk gereedschap. Het bovenste hengeltje is een Pateke Morton met een sigma 025. Gemaakt om als spinhengel te dienen maar als wat zwaardere vlokhengel meer geschikt. Hij hoefde niet ingezet te worden. De rapier was zwaar genoeg.

 

Voor de tweede keer loop ik de kribben af op zoek naar windes. Ze laten zich niet zien. Een praatje met een kunstaasvisser levert een stek op. Ik verwacht er geen school windes die op me liggen te wachten maar ik neem de tip toch maar ter harte en ga een kijkje nemen. Het is een stek uit duizenden. Meestal liggen de keien zo dat ik er overheen strompel maar hier kan ik goed uit de voeten. Ik zit hier als een vorst in het zonnetje dat intussen achter de wolken vandaan is gekomen. Helaas is er geen vis te bekennen.

Om een uur of zes, als ik geen vertrouwen meer heb in het vangen van een winde, wordt er aan een korst geslurpt. Ik ga Hotseknotsend over de keien en mag van geluk spreken dat ik niks gebroken heb. Drie keer krijg ik een aanbeet en drie keer schiet de vis los en drie keer gaat het tuig in de war. Om wanhopig van te worden op die keien, je tuig uit de war halen of zelfs helemaal opnieuw maken. Zo snel de windes er waren zo snel zijn ze weer vertrokken. Maar goed, de kans dat er weer een paar verschijnen is nu zeker aanwezig.



 

Een verse pluim gaat te water tussen de broodslurpers en onmiddellijk gaat het pennetje de diepte in en buigt het rapiertje tot in de cone. De buiging van de hengel is voldoende om de vis af te matten en even later schuift er een winde het net in. Ik mag van geluk spreken dat ik er eentje gevangen heb want het wordt weer stil tussen de overgebleven broodkorsten. Ook op andere plekken is geen vis meer te bekennen. De laatste korsten gaan te water, een paar maden aan de haak en het pennetje wat dieper. Er gebeurt niets meer. Als ik een klein pruikje los peuter, voel ik aan de hengel trekken. met het idee van een winde hef ik de hengel maar er zit wat anders aan dat veel kleiner is, en nu een luchtreis maakt. Wat ik precies in handen heb weet ik niet maar ik heb zoiets nog niet eerder gevangen. Thuis maar eens de vissenlijst van Sportvisserij Nederland er op na slaan.

Het was een taaie visserij die uiteindelijk toch een winde opleverde en een kop als een gekookte garnaal want de zon is nog overvloedig gaan schijnen. En aan het water lijken de zonnestraaltjes wel twee keer zoveel effect te hebben. De rapier maakt van een winde een ultieme sportvis. De enige beperking is buiten de stroom te blijven en daar zijn plekken in overvloed van.

 

Ap

_______________________________________________________________________________